De wereld van fondsen, in gewone mensentaal
Laatst bijgewerkt op 27 oktober 2025.
De wereld van fondsen zit vol met termen, afkortingen en financiële begrippen die je niet elke dag tegenkomt. Van WALT tot Waterfall, van IRR tot MOIC voor wie er dagelijks mee werkt zijn ze vanzelfsprekend, maar voor wie zich oriënteert op een investering kunnen ze juist verwarrend zijn.
Bij Fondsen.nl vinden we dat kennis pas waarde heeft als ze gedeeld en begrepen wordt. Daarom hebben we deze woordenlijst samengesteld: een naslagwerk waarin we de belangrijkste begrippen uit de wereld van vastgoedfondsen, private equity en alternatieve beleggingen eenvoudig uitleggen. Geen vakjargon om te imponeren, maar heldere taal die inzicht geeft in hoe fondsen écht werken.
Of je nu een particuliere belegger bent die zijn eerste stap in een fonds overweegt, of een ervaren investeerder die zijn kennis wil opfrissen deze lijst helpt je om met vertrouwen door documenten, rapportages en gesprekken te navigeren.
Kortom: ingewikkelde termen, eenvoudig gemaakt.
Fondsen & Private Equity Woordenlijst
A
Aandeelhoudersovereenkomst (SHA) – Juridisch document dat de rechten en plichten tussen aandeelhouders in een fonds of vennootschap regelt.
Asset Allocation – De verdeling van het fondsvermogen over verschillende beleggingscategorieën (zoals aandelen, vastgoed, private debt, etc.).
Asset Under Management (AUM) – De totale waarde van de activa die door een fonds of vermogensbeheerder wordt beheerd.
B
BAR (Bruto Aanvangsrendement) – Het bruto rendement op vastgoed op basis van de jaarhuur gedeeld door de aankoopprijs, exclusief kosten.
Buyout – Overname van een bedrijf waarbij een investeerder een controlerend belang verwerft, vaak met vreemd vermogen (zie: LBO).
C
CAGR (Compound Annual Growth Rate) – Het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage over een periode, rekening houdend met samengestelde groei.
Capital Call – Verzoek aan investeerders om hun toegezegde kapitaal daadwerkelijk te storten.
Carried Interest (Carry) – Het winstdeel (meestal 20%) dat de fondsmanager ontvangt als de investering boven een bepaalde drempelrendement (hurdle rate) presteert.
Clawback – Voorwaarde die bepaalt dat een fondsmanager eerder ontvangen carry moet terugbetalen als het totale rendement later onder de hurdle zakt.
Commitment – Het bedrag dat een investeerder toezegt te investeren in een fonds.
D
Distributie Waterfall – De hiërarchische structuur waarin de opbrengsten van een fonds worden verdeeld tussen investeerders (LP’s) en fondsmanagers (GP’s).
Due Diligence – Onderzoek naar de financiële, juridische en operationele risico’s van een investering.
E
Exit – Moment waarop een investering wordt verkocht en de opbrengst wordt gerealiseerd.
Exit Multiple – Waarde van een investering bij verkoop gedeeld door het geïnvesteerde bedrag.
F
Follow-on Investment – Aanvullende investering in een bestaande portefeuilleholding.
Fund-of-Funds – Fonds dat investeert in andere fondsen in plaats van direct in bedrijven of vastgoed.
G
GP (General Partner) – De fondsbeheerder die verantwoordelijk is voor het investeringsbeleid, beheer en prestaties.
Gross IRR – Het interne rendement vóór aftrek van fonds- en beheerkosten.
H
Hurdle Rate – Het minimumrendement dat een fonds moet behalen voordat de GP aanspraak maakt op carried interest.
Holdingperiode – De periode waarin een fonds een specifieke investering aanhoudt.
I
IRR (Internal Rate of Return) – Het interne rendement van een investering, rekening houdend met de timing van kasstromen.
Investment Period – De fase waarin een fonds nieuwe investeringen mag doen (meestal de eerste 3–5 jaar).
J
J-Curve – Grafiek die laat zien dat rendementen van een fonds in de beginjaren vaak negatief zijn door kosten en pas later positief worden door exits.
K
Key Man Clause – Voorwaarde in fondsdocumenten dat bepaalde sleutelfiguren actief moeten blijven, anders kunnen investeerders het fonds stilleggen.
KPI (Key Performance Indicator) – Prestatie-indicator, vaak gebruikt om portefeuillebedrijven te beoordelen.
L
LBO (Leveraged Buyout) – Overname van een bedrijf met een combinatie van eigen en vreemd vermogen.
LPA (Limited Partnership Agreement) – Juridisch contract tussen de fondsbeheerder (GP) en investeerders (LP’s).
LTV (Loan to Value) – Verhouding tussen de lening en de waarde van het onderpand (bijv. vastgoed).
LTV-MOIC – Combinatie van LTV en MOIC om te beoordelen hoeveel hefboom er op de vermenigvuldiging van het geïnvesteerde kapitaal zit.
M
Management Fee – Jaarlijkse vergoeding (meestal 1–2%) die de GP ontvangt voor het beheren van het fonds.
MOIC (Multiple on Invested Capital) – De totale waarde van de investering gedeeld door het geïnvesteerde bedrag.
Mezzanine – Hybride financieringsvorm tussen eigen en vreemd vermogen, vaak met hoger risico én rendement.
N
NAV (Net Asset Value) – De actuele waarde van alle activa minus schulden, gedeeld door het aantal participaties.
Net IRR – IRR na aftrek van alle kosten en vergoedingen, dus het rendement dat de investeerder daadwerkelijk ontvangt.
O
Overcommitment – Situatie waarin investeerders meer kapitaal toezeggen dan ze feitelijk liquide hebben, omdat niet alle fondsen tegelijk opvragen.
Overhedging – Te sterke afdekking van valutarisico’s, wat rendement kan drukken.
P
Preferred Return – Drempelrendement dat investeerders eerst ontvangen voordat de GP aan winstdeelname toekomt.
Primary Fund – Fonds dat direct investeert in bedrijven of assets, niet via andere fondsen.
Private Placement Memorandum (PPM) – Officiële documentatie waarin het fonds, de strategie en de risico’s worden beschreven.
Q
Quarterly Reporting – Kwartaalrapportage waarin fondsen updates geven over rendementen, waarderingen en exits.
R
Recycling Provision – Bepaling die toelaat dat eerder uitgekeerde opbrengsten opnieuw geïnvesteerd mogen worden.
Realized vs. Unrealized Gains – Realized = gerealiseerde winst na verkoop; Unrealized = papieren winst op nog niet verkochte beleggingen.
S
Secondary Fund – Fonds dat belangen in bestaande fondsen of portefeuilles opkoopt.
SPV (Special Purpose Vehicle) – Juridische entiteit opgezet om één specifieke investering of asset te houden.
T
Target Return – Het beoogde rendement dat een fonds wil behalen (bijv. 12% netto IRR).
Track Record – Historische resultaten van een fondsbeheerder of investeringsstrategie.
V
Vintage Year – Het jaar waarin een fonds zijn eerste investering doet; gebruikt om prestaties tussen fondsen te vergelijken.
Value Creation Plan – Strategie van de GP om operationele waarde toe te voegen bij portefeuillebedrijven.
W
WALT (Weighted Average Lease Term) – Gewogen gemiddelde resterende looptijd van huurcontracten binnen een vastgoedportefeuille.
Waterfall (Distribution Waterfall) – De structuur waarin opbrengsten worden verdeeld, meestal in vier lagen:
- Terugbetaling van geïnvesteerd kapitaal aan LP’s
- Preferred return aan LP’s
- Catch-up voor GP (tot afgesproken verhouding)
- Carried interest verdeling (bijv. 80%/20% vaak gecombineerd met een hurdle rate)